feest met verhalen

Alle verhalen op een rij

Vertel- en knipverhaal

Benodigdheden: stukje stevig geel papier, schaar, zwarte stift.

[Vouw het papier dubbel voor je begint.]
Op een mooie lentedag begonnen papa Vogel en mama Vogel met het bouwen van een nest. Ze zochten een stevige tak uit in een hoge boom. Ze vlogen heen en weer met kleine takjes, draadjes en pluisjes en maakten die aan elkaar vast. Na een paar dagen was het nest klaar. [knip een komvormig 'nest' aan de vouwkant van het papier en laat dit zien]

Van alle dieren op de boerderij staat Hendrik Haan iedere dag als eerste op. Wanneer het nét licht begint te worden en de andere dieren nog slapen, fladdert hij naar het hoogste punt van het dak. Als de zon dan boven de bomen tevoorschijn komt, roept hij: "Kukeleku! Wakker worden allemaal! De dag is begonnen!".
Maar op een dag is hij niet de eerste. Wanneer hij wakker wordt, loopt Kaatje Kip, zijn lieve vrouwtje, druk kakelend door het kippenhok.

Er was eens een kip die een nest eieren uitbroedde. Toen de kuikentjes uit de eieren kwamen, was ze zeer tevreden. Eén, twee, drie waren al uit het ei gekropen, bol en pluizig, zoals kuikentjes horen te zijn.
Maar toen het vierde ei open ging kwam er maar half zoveel uit. Het vierde kuikentje had maar één pootje en één oog en één vleugeltje. Het was een half kuikentje!

Lang geleden, toen mensen en dieren nog met elkaar konden praten, leefden er in het bos een vader en moeder uil met hun kleine baby uil. Ze zorgden goed voor de kleine uil en elke keer als er een dier langs de boom met hun nest kwam, dan waarschuwden ze: “Oehoe, oehoe! Dit is onze boom!”

Toen de kleine uil groter werd, deed hij mee en als er dan iemand langsliep riep hij: “Hoe-oe, hoe-oe!”. “Hé,” zei zijn moeder,  “je kunt niet zomaar iets anders roepen. Je moet ‘oehoe oehoe’ roepen, net zoals elke uil!” Het kleine uiltje beloofde dat te doen.

Een sprookje uit Perzië*

Er was eens een oude vrouw die haar leven lang graag een kindje wilde hebben. Ze bad elke dag tot Allah**, maar tevergeefs. "Waarom geeft Allah ons toch geen kind?" zei ze tegen haar man. "Ook al ben ik oud, ik zou altijd goed voor haar zorgen en haar altijd lief vinden, hoe ze er ook uit zou zien. Zelfs al zag ze er uit als een pompoen!"

Op het erf van een boerderij leefde eens een klein rood kippetje. Altijd was ze druk in de weer om in de grond wormen te zoeken voor haarzelf en voor haar kuikens. Ijverig pikte ze in het zand, pik-pik-pik, en als ze een worm gevonden had kakelde ze luid: “Tok tok tok!”

In de deuropening vlakbij lag een kat te luieren en bekommerde zich nergens om. Zelfs niet om de rat die vrij rond kon rennen. Het varken dat in de schuur leefde maakte zich alleen maar zorgen over zijn eten, zodat hij nog dikker en zwaarder kon worden.

Vrij naar Hans Christian Andersen - Het Zomerklokje

Het was winter. Een dikke laag sneeuw bedekte de aarde. De lucht was koud en de wind was guur. Maar onder de grond was een klein huisje waar het lekker warm was. In dat huisje woonde een bloem. Opgevouwen lag ze in haar bolletje.

Een mythe van de Cherokee indianen in Noord-Amerika

Toen de wereld nog jong was, leefden Eerste Man en Eerste Vrouw in een hutje aan de rand van het bos.  Eerste Man ging iedere dag op jacht. Hij ving konijnen, vossen en andere dieren. Die roosterde hij boven het vuur en zo hadden ze te eten. Eerste Vrouw maakte de huiden schoon en maakte daarvan kleren. Ze kwamen niets tekort en waren heel gelukkig samen.

Hier ver vandaan, op het eiland Samoa, leefden lang geleden eens een man en een vrouw. Ze hadden veel kinderen: wel tien jongens en één meisje. Het meisje heette Sina, en de jongens heetten Tien, Negen, Acht, Zeven, Zes, Vijf, Vier, Drie, Twee en Een. Wanneer de vader en moeder wilden weten of alle kinderen thuis waren, telden ze altijd hardop: "Tien, Negen, Acht, Zeven, Zes, Vijf, Vier, Drie, Twee en Een."

Een scheppingsverhaal van de Noord-Amerikaanse Indianen

Lang, heel lang geleden behoorde al het vuur toe aan drie Vuurwezens, en die hielden het weggestopt in hun tipi, hoog boven op de top van een berg. Ze wilden het vuur met niemand delen en bewaakten het zorgvuldig, dag en nacht. Dus toen het winter werd, en de gierende wind loeide en sneeuw de aarde bedekte, hadden mannen, vrouwen en kinderen niets om zich mee te verwarmen. Geen vuur, geen warm eten, niets.

Bewerking van ‘Van de Visser en zijn Vrouw’, gebr. Grimm

Timpetee was visser en dol op het geluid van de zee. Als hij ’s morgens wakker werd in zijn hut, dan kon hij het geluid van de golven al horen. Heerlijk vond hij dat.
De hut waarin hij woonde was gemaakt van oude planken, die hij had gevonden op het strand. Er zaten geen ramen in, maar door de kieren tussen de planken kon je toch naar buiten kijken. Hij woonde daar samen met zijn vrouw Ilsebil en elke dag liep hij naar zee om te vissen.

Ja, ik wil 6x per jaar een Vertelidee!

Babboes Druk met de voorbereidingen voor kerstmis? Lees hier het verhaal hoe de engelen zich 2000 jaar geleden voorbereidde… https://t.co/zRUIBwfXJ6
11hreplyretweetfavorite
Babboes Interessant artikel ook voor vertellers. Waarom mensen niet naar theater gaan. https://t.co/WrcqHH10aA